Telekwetsbaarheid op de gemeentelijke agenda

Zonder stroom staat alles stil

Wat doen we als de telecommunicatie uitvalt? Dat was de centrale vraag op het symposium ‘Opstap naar weerbaarheid in een digitale samenleving’. De bijeenkomst, geopend door staatssecretaris Mona Keijzer, werd georganiseerd vanuit het programma Telekwetsbaarheid van Agentschap Telecom.

Dat die vraag breed leeft, bleek wel uit de opkomst: organisaties uit vele sectoren waren de 22ste november naar het Soesterbergse Officierscasino gekomen. Banken, telecomproviders, zorgaanbieders, consultants, en uiteraard ook vertegenwoordigers van gemeenten. Voor veel organisaties is het antwoord op de vraag ‘wat kunt u doen bij uitval van telecommunicatie’ namelijk: weinig tot niets. Processen en systemen zijn zo verweven met telecommunicatie, dat het werk simpelweg stilvalt. Ook voor veel gemeenten zal dit het geval zijn. Veel software draait bij de leverancier (in de cloud) en is zonder telecommunicatie niet benaderbaar. Ook het eigen datacentrum (het hart van het ICT-netwerk) is vaak via telecommunicatienetwerken verbonden met de daadwerkelijke werkplekken. En die doen het in zo’n geval ook niet meer. Terugvallen op de eigen apparaten werkt niet, want tablets en telefoons zijn zonder telecommunicatie zo goed als nutteloos, laat staan smart.

En wat te denken van gemeentelijke systemen in de buitenlucht? Bruggen worden nog zelden ter plekke bediend. Rioolgemalen worden centraal gemonitord en verkeersmanagement is dynamisch geworden door verkeerslichten en meetinstrumenten aan elkaar te koppelen. Allemaal apparaten en systemen die zijn verbonden via telecommunicatie. Dus als dat uitvalt, ligt er veel plat. Heel veel.

Maak een plan

Met het programma Telekwetsbaarheid wil het Agentschap Telecom Nederlandse organisaties bewust maken van hun afhankelijkheid van telecommunicatie. Want weerbaarheid begint met weten waar je het over hebt. Allin Peter Britstra, adviseur informatiebeveiliging van de gemeente Zwolle, was daarom blij met de voorbeelden die gepresenteerd werden van organisaties die goed door zo’n crisis heen zijn gekomen. “Dat deden ze niet met grote, dikke continuïteitsplannen. De crux is dat het management samen met vakinhoudelijke en facilitaire collega’s met elkaar de verantwoordelijkheid nemen door simpelweg de ‘wat als’-vraag te bespreken. Daarbij kun je honderden scenario’s bedenken hóe het mis kan gaan. Maar dat kost veel tijd en levert nog meer slapeloze nachten op. Het bleek verstandiger om met elkaar de gevolgen in beeld te brengen. Want alleen als je weet wat de impact is van een calamiteit, kun je de schade beperken. Door die impact in beeld te brengen en mogelijke oplossingen te bespreken met betrokkenen, kom je tot een praktisch calamiteitenplan. Dan maakt het niet zozeer uit wat de oorzaak is van de ellende; het gaat erom dat je op dat moment weet wat je te doen staat. Dat vraagt om managers die verantwoordelijkheid voelen en nemen voor de diensten die hun medewerkers leveren. Om medewerkers die verantwoordelijkheid nemen in het bedenken van praktische oplossingen. En uiteraard om leveranciers (intern en extern) die bereid zijn afspraken te maken over hun inzet op het moment dat de organisatie hen nodig heeft.”

BIO stelt eisen

Helaas ziet de praktijk van alledag er – vooralsnog – anders uit. Als het misgaat wordt er vooral geïmproviseerd. Betrokken medewerkers doen er alles aan om klanten en burgers niet de dupe te laten zijn van uitval van systemen. Maar dat werkt alleen als die professionaliteit gekoppeld wordt aan een structureel calamiteitenplan. Britstra: “Liefst een plan met procedures die aansluiten bij het dagelijks werk, adviseerde een van de sprekers. Dat sprak mij zeer aan. Dat is veel effectiever dan een draaiboek dat eens per jaar wordt geoefend, maar ver staat van de dagelijkse praktijk.”

Dat zo’n plan voor gemeenten geen vrijblijvende aangelegenheid meer is, wordt onderstreept door Kees Hintzbergen, senior adviseur informatiebeveiliging bij VNG Realisatie en de IBD: “De komende Baseline Informatiebeveiliging Overheid (BIO) vereist dat proceseigenaren risicomanagement toepassen. Zij – veelal zijn dit de afdelingshoofden – zijn straks verplicht in beeld te brengen wat er mis kan gaan en hoe zij hun proces weerbaar willen maken. Bij de BIO draait het om beschikbaarheid, integriteit en vertrouwelijkheid. Dat wil zeggen dat gegevens en systemen alleen benaderbaar zijn voor hen die het nodig hebben. Ten tweede moeten gegevens juist zijn en systemen moeten doen waarvoor ze bedoeld zijn. En als derde vereiste moeten systemen als het nodig is draaien en de gegevens daarbinnen moeten toegankelijk zijn. Het is duidelijk dat bij het onderdeel beschikbaarheid een belangrijke rol is weggelegd voor telecommunicatie. De vraag ‘wat als telecommunicatie uitvalt’ moet door gemeenten dus een prominente op de agenda krijgen.”

Kwetsbaarheden in kaart

Britstra: “Daarom vond ik het fijn om te horen dat onze IBD en het Agentschap Telecom kennis én praktische handvatten uitwisselen. Want waarom zouden we op 380 plekken het wiel uitvinden? Dan moet er natuurlijk wel iemand zijn die de opdracht geeft om dat wiel te produceren. De ‘wat als’-vraag moet hoog op de prioriteitenlijst van elke gemeente, en dat is best lastig in een tijd waarin de zorg voor met name kwetsbare inwoners om toenemende kosten vraagt. Maar ja, wat als het misgaat met je telecommunicatie, hoe krijgt die burger dan die noodzakelijke zorg van ons? Mijn voorstel: ga als proceseigenaar met een stel betrokken ambtenaren om de tafel zitten. Breng de afhankelijkheden en kwetsbaarheden van jouw proces in kaart. Gebruik hierbij de instrumenten die al zijn ontwikkeld door de IBD en het Agentschap Telecom. En bedenk vervolgens praktische oplossingen voor het geval zo’n kwetsbaarheid daadwerkelijk een probleem wordt. En benut daarbij vooral de kennis en kunde van de mensen in de organisatie. Want als het misgaat, zijn zij het die aan de slag moeten.”

Dreiging van Dunkelflaute?

We kunnen gebruikmaken van telecommunicatie als er stroom is. Stroom bij de telecomprovider, want anders kan deze geen data en spraak aanbieden. En stroom bij de ontvanger. Dus als de stroom uitvalt, gaat het mis. Gelukkig hebben we in Nederland een degelijk stroomnet.

Maar blijft dat zo of wordt die degelijkheid bedreigd door het fenomeen Dunkelflaute? Dunkelflaute is een samentrekking van de Duitse woorden Dunkelheit (duisternis) en Windflaute (windstilte). Dunkelflaute treedt op als het elektriciteitsnet significant minder stroom krijgt aangeboden van windturbines en zonnepanelen. Daar heeft het net nu al last van, terwijl deze groene stroom nu nog geen 15 procent van de elektriciteit levert. Netbeheerders vragen zich daarom hardop af van het effect zal zijn van Dunkelflaute als de energietransitie straks voltooid is.